Hard trainen

Het viel me altijd op hoe hard onze trainer ons laat trainen. Ik heb er al vaak over geklaagd en velen in ons groepje (en andere groepjes in onze loopgroep Lange Afstand) smokkelen of doen heel wat anders. Slechts enkelen trainen zes keer in de week. Nu ik wekelijks wedstrijden loop, heb ik geen tijd om te klagen, noch puf. Ik moet iets hebben om me staande te houden, om de weerstand op te bouwen tegen het geweld van proberen boven jezelf uit te stijgen.

We mochten gisteravond duizendjes lopen in wedstrijdtempo, maar met een geniepig extraatje. Gelukkig dat het merendeel van de Rotterdamgangers niet was komen opdagen, want vanavond werden de benen leeg gelopen. Er was slechts een persoon die de estafette met een bedrijven-team in Rotterdam zou gaan lopen, dus zo'n 10 km.

De gemene draai die aan deze oefening zat was 50 m dribbelen na de 1000 m op wedstrijdtempo en dan 150 m snel. “Snel?” vroeg ik, “Iets sneller dan je 1000 m tempo, ja?” “Nee,” zei de trainer, “gewoon snel.” Oef! Dat betekent dus zo snel als je (nog) kunt. Als laatste mocht je nog 1000 m lopen zo snel als je kon.

Ik heb eindelijk het lijstje gevonden van intervaltijden die horen bij de groep van langzaamste lopers van onze loopgroep (langer dan 48 minuten op de 10 km).

1000: 4'52 | 800: 3'52 | 600: 2'52 | 400: 1'52 | 300: 82 | 200: 50

Als ik uitga van de 50 s voor de 200 m en dat de 100 m in 22 s zou moeten kunnen, dan zou ik 25 + 11 s (36 s) schatten voor de 150 m snel.

Hier zijn mijn zelf-geklokte tijden (pauze was 300 m na elke 150 m snel):

1000 m: 4:53, 4:51, 4:51, 4:46
0150 m: 0:36, 0:33, 0:33, 0:35
1000 m: 4:25

Er waren twee problemen waarmee ik kampte. Ten eerste was dit de zesde trainingsdag achter elkaar; ik was al tamelijk moe. Ten tweede wilden de anderen niet mee. Ze liepen een ronde buitenom de atletiekbaan (1 km) en kwamen er toen achter dat je de 50 m dribbelen en 150 m snel beter op de baan kunt lopen. Toen ze dat door hadden, liepen we totaal verschillend, met een achterstand van een volle ronde. Ik liep dus op mezelf.

Er werd ook veel gekletst en deze oefening was te zwaar daarvoor. Als je dan toch wilt babbelen, neem je te lange pauzes of je loopt je snelle stukken te langzaam, zodat je adem over hebt. Aangezien ik ga voor verbetering van mijn tijden, koos ik voor serieus trainen in plaats van voor gezelligheid.

De trainer zag dat en merkte ook op dat ik me goed voorbereid had, omdat ik het schema uit het hoofd wist. Ik wist zelfs de tussentijden op de seconde op de 100 m punten, maar dat vertelde ik pas na de training. Enfin, hij gaf aanwijzingen voor mijn loophouding bij de snelle 150tjes en gaf bemoedigende woorden over het juiste tempo op de 1000tjes.

Mijn hoop is dat ik heel blijf en door gewicht te verliezen de tijden in mijn wedstrijden kan opschroeven. Het zal niet makkelijk gaan, omdat je kracht moet toegeven aan het gewichtsverlies. Pas na enkele weken trainen op hetzelfde gewicht gaat je snelheid omhoog (ongeveer 29 s per kg minder op je 10 km tempo).

Het effect op de snelheid ijlt dus na. Dat houdt in dat mijn 6 kg gewichtsverlies vandaag ten opzichte van 17 maart pas op de Haagse Beemdenloop een vol effect zal hebben en het gewicht dàn pas op het Rondje Rijen op 1 juni. Dit alles onder de voorwaarde dat ik blijf trainen met dezelfde inzet als nu.

Dat betekent nog vele zware trainingsweken voor de boeg en een langzame verandering van instelling. Ik klaag nog te veel tijdens de training en denk nog te veel dat ik iets niet aan kan. Bescheidenheid is een goede eigenschap, maar zelfonderschatting is wellicht een graadje te ver in die richting.

Je bent nooit te oud om te leren, zo blijkt nu.

Bedankt voor het lezen en loop ze!